Pijn

Uit FysioPedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Pijn is een onplezierige sensorische en/of emotionele ervaring veroorzaakt door feitelijke of mogelijke weefselschade of die beschreven wordt in termen van weefselbeschadiging; ergens in het lichaam is een verwonding of dreigt er een te ontstaan. Soms ontstaat pijn echter ook zonder aanwijsbare lichamelijke oorzaak.

Fysiologie

Pijn begint bij de zenuwuiteinden die geprikkeld worden of door het beschadigd zijn van zenuwen. Die prikkels, elektrische signalen, worden via de pijnbanen doorgegeven aan het ruggenmerg en tenslotte aan de hersenen.

Vaak zijn het de kleinere vezels die pijn geleiden. Van de verschillende zenuwvezels in ons lichaam (A-alfa, A-beta, A-gamma, A-delta, B en C) geleiden enkel A-delta en C, de kleinere, de pijn.

Pijn is niet enkel een directe link tussen huid en hersenen zoals René Descartes destijds dacht, maar is een proces met een sociale dimensie. Ze kan ook beïnvloed worden door andere prikkels. Een en ander werd aanneembaar met de poorttheorie (Ronald Melzack en Patrick Wall). Deze verklaarde dat kleine vezels het pijnsignaal versterken, terwijl grotere vezels het signaal dempten. Ook prikkels uit het limbische systeem en de cortex hebben een invloed.

Soorten

Er kan onderscheid worden gemaakt tussen acute pijn en chronische pijn. Acute pijn ontstaat plotseling en gaat relatief snel weer over. Klinisch neemt men de grens van zes maanden. Onder chronische pijn wordt verstaan: pijn die langer dan zes maanden aanhoudt. Chronische pijn heeft geen waarschuwingsfunctie meer en veroorzaakt vooral stress. Chronische pijn is soms moeilijk behandelbaar, omdat de oorzaak niet te vinden is of omdat de oorzaak niet weg te nemen is. De resterende behandelwijzen zijn dan pijnstillende medicijnen of een zenuwbehandeling, hoewel moderne therapieën zich eerder richten op het pijngedrag en dit proberen om te buigen in normaal gedrag.

Nociceptieve pijn is pijn die duidt op weefselschade. Ze voelt eerder stekend, zeurend aan. Neuropathische pijn is pijn door zenuwbeschadiging. Deze voelt eerder branderig, tintelend aan.

Binnen het nieuwe fysiologische concept werden pijnprikkels via specifieke receptoren en pijngeleidende zenuwbanen naar de hersenen geleid, waar deze tot het bewustzijn doordrongen. In feite is dit een verdere uitwerking van de ideeën van Descartes. In het licht van de zintuigfysiologie werd pijn beschouwd als een zelfde kwaliteit als voelen, horen of zien, met een "eigen" geleidings- en perceptiesysteem. In dit licht stelde Max von Frey de specificiteitstheorie op. Binnen deze theorie bereiken de pijnprikkels via de snel geleidende A-delta-zenuwvezels of de langzaam geleidende C-zenuwvezels het ruggenmerg. Daar worden de pijnprikkels vervolgens voortgeleid via een specifieke pijnbaan (de tractus spinothalamicus) naar het schakelstation in de thalamus, naar de hersenschors, waar deze tot het bewustzijn doordringt. Dit inzicht leidde tot de opvatting dat onderbrekingen in dit geleidingssysteem de pijn zouden kunnen blokkeren.

Anamnese

Pijn kan nog niet goed worden gemeten. Pijn geeft vaak echter wel een stressreactie, die kan worden afgelezen aan de hartslag en bloeddruk. Men maakt vaak gebruik van vragenlijsten zoals de McGill Pain Questionnaire of men gebruik een visueel analoge schaal (VAS- schaal of Visual Analogue Scale) (hierbij wordt de patiënt gevraagd de pijn te situeren op een ononderbroken lijn) of met een getal van 0 tot 100. Deze methode gaat uit van de veronderstelling dat de patiënt zelf over de karakteristieken en intensiteit van de pijn kan rapporteren. Bij comateuze patiënten of verstandelijk gehandicapten is het meten van pijn een gecompliceerde aangelegenheid. Evenzo is dat het geval bij de pasgeborenen. In deze patiëntencategorie wordt gewerkt met een vijftal gevalideerde meetinstrumenten voor pijn, die zonder uitzondering multidimensioneel zijn. Dat wil zeggen dat ze zowel fysiologische veranderingen zoals hartslag en bloeddruk meten, en daarnaast een oordeel geven over gedragsveranderingen. Een enkel meetinstrument scoort ook beïnvloedende factoren als zwangerschapsduur (voor de te vroeg geborene) en gedragsstadium. Over het algemeen geldt dat objectieve pijnmeetinstrumenten ontwikkeld worden voor acute pijn. Het objectief meten van chronische pijn staat nog in de kinderschoenen.

Sociale dimensie van pijn

Iedereen ervaart pijn anders. Pijnbeleving is afhankelijk van verschillende factoren, waaronder: spanning, angst, sociaal-culturele factoren en biologische verschillen. Sommige mensen (bijvoorbeeld masochisten) houden echter van (bepaalde vormen) van pijn. Dit wordt algolagnie genoemd. Als iemand een ziekelijke angst voor pijn heeft, wordt dit algiofobie genoemd.

Therapie

Pijn kan worden onderdrukt met anesthesie (verdoving).

Vaak zal men de pijn medicaliseren en als dusdanig bestrijden. Hierbij zoekt men soelaas tot medicatie.

Met operante conditionering zal men eerder een negatief pijngedrag ontmoedigen en een positief normaal gedrag bekrachtigen. In de meer modernere visie op pijnbehandeling staat immers de aanpak van het pijngedrag centraal, niet zozeer van de pijnklachten.